DOOR TJAAL AECKERLIN EN RICK SCHOONENBERG FOTO'S KIT TROPENMUSEUM AMSTERDAM zorg over mij en mijn twee zusjes droeg, maakte zich erg ongerust om mijn avonturen. Ze was bang dat ik het water in duikelde of dat er iets vreselijks zou gebeuren in het groen. 'Dan heb ik het op mijn geweten', redeneerde zij. 'Nee tante, ik pas werkelijk goed op', verweerde ik me. Aangezien ik maar niet wilde luisteren en ongevoelig bleek voor een standje of een tik, besloten mijn oudtante en oudoom mij naar Djokja te sturen. Daar woonden mijn moeder en stiefvader. Zo verliet ik op een ochtend het huis aan de Kartiniweg. Mijn familie zwaaide me uit vanaf station Gambir aan het Koningsplein. Ik voelde me niet boos, verdrietig of weggestuurd, want ik zag de reis naar Djok ja als een groot avontuur. Ik was nog nooit buiten Batavia geweest, dus keek ik mijn ogen uit. Ik zag voor het eerst de contouren van blauw grijze bergen en uitgestrekte sawa's. Rond vijf uur in de middag liep de trein het station van Djokja binnen waar mijn moeder me opwachtte. Ik moest aan haar wennen, want ik had haar zeker een jaar niet gezien. Ze merkte dit op en in de déleman, het rijtuigje, sloeg ze een arm om mij heen en drukte ze mij tegen zich aan. Mijn stiefvader was een Hol lander en cipier bij het gevangeniswezen. Hij bezat een dienstwoning dichtbij het gevangeniscomplex. Ik kreeg een kamer aan het achtererf, waar ik mijn koffer nog even gesloten hield. Na het eten hadden mijn ouders een verrassing voor mij. Ik kreeg een rijwiel cadeau, dat ik in één dag leerde beheersen. De fiets gebruikte ik om naar mijn school te komen in de Joedonega- ran-buurt en om uitgebreid de stad te verkennen. Met Atty en Sientje maakte ik eindeloze tochten. Zo wist ik in korte tijd de Juliana apotheek, de ijsmaker Pathook en het postkantoor te vinden. In één straat wenste ik nooit meer te komen. In de hoge bomen aan weerszijden van de weg bevond zich een kolonie kleine reigers, die daar waren neergestreken. Ik heb nooit meer zo hard gefietst. Na acht maanden Djokja vertrok ik weer naar Batavia om daar de vakan tiemaanden door te brengen. Nadat ik al die weken met mijn zusters had doorgebracht, weigerde ik om terug te keren naar Djokja. Ik begreep toen pas hoe ik ze had gemist. Mijn oudtante zette druk, mijn oudoom zette druk en mijn moeder kwam over om nog meer druk te zetten. Van alle pressie werd ik dwars en onhandelbaar. En mijn zusters die het voor mij opnamen, deden mij na. We voerden onze taken in huis maar half uit en spraken niet meer met onze 'belagers'. Deze situatie duurde niet lang. Mijn oudste zus en ik belandden als strafmaatregel in het Vincen- tiusgesticht voor meisjes op Meester Cornelis. Daar heerste een streng regime: vroeg opstaan, bed opmaken, wassen, naar de kerk en eten. Dan: vegen, boenen of schrobben en naar school. Zo begon onze dag, die vol rituelen zat. Voordat we ons bijvoorbeeld konden wassen, kozen we eerst positie achter de langgerekte wasbakken. Gaf de zuster de eerste handklap, dan moesten we gezamenlijk onze kranen opendraaien. De tweede handklap betekende dat we nog even de tijd hadden. Bij de derde ging de hoofdkraan dicht. Mijn zuster en ik snapten niet waar we dit alles aan hadden verdiend. Op een gegeven moment moesten wij het pand uit, om plaats te maken voor Australische militairen. We trokken in bij het Vincentiusgesticht voor jongens op Kramat. Van een naderende oorlog wisten we helemaal niets. Zo geïsoleerd leefden wij. Na de capitulatie hokten mijn familieleden samen in Gang Beridjo. Gezien het aantal huisgenoten werd er op de veranda geslapen. Mijn zuster en ik mochten de zondagen in Beridjo doorbrengen. We waren in Vincentius immers 'bevorderd' tot kinderjuffen. Dat betekende: vroeg opstaan, bed opmaken, wassen, naar de kerk en eten. En vervol gens de kleuters wakker maken, ze wassen, aankleden en eten geven... en naar school. Tijdens één van de zondagen ontmoette ik mijn toekomstige man. Hij kwam voor de gezelligheid mee met neef Matty. In het begin vond ik mijn man teveel verbeelding hebben, dus ik negeerde hem. Hierdoor voelde hij zich juist tot mij aangetrokken. Om gesprekken te vermij den gaf ik hem raadsels op. 'En Edje? Hoe?' begon hij. 'Tussen twee eilanden zwemt een krokodil. Hoe kom jij veilig naar de overkant?' antwoordde ik dan. Ik ontdekte pas dat ik verliefd geworden was, nadat ik de poort van Vincentius binnen gewandeld was. Ik kreeg buikpijn als ik aan hem dacht. Of was het een mengeling van verlangen en een hongergevoel? In 1944 trouwde monseigneur Wilkens ons voor de kerk na toestem ming van mijn voogd. Mijn man had van de stempelring van zijn pa twee trouwringen laten maken. Achteraf besefte ik dat ik meer bezig was geweest met het wegkomen uit Vincentius dan met de gevolgen van de bezetting... Edje, Batavia 1944 juli 2007

Moesson Digitaal Tijdschriftenarchief

Moesson | 2007 | | pagina 29