Hoe gaat het nu met u? Ralph Tas 'Ik ben geboren in Batavia in 1931. Mijn vader was werktuigkundige bij de KPM en reserve-officier bij de marine. Toen de oorlog uitbrak werd hij door admi raal Hellfrich naar Singapore gestuurd om te rapporteren over de technische staat van de machinekamer van de kruiser Hr.Ms. Java. Die liet te wensen over. Toen Java werd aangevallen, verhuis den we met ons gezin naar familie in Djokjakarta. Mijn vader bleef in Soerabaja en mijn moeder reisde hem achterna. Daar hebben ze, daags voor de slag in de Javazee, afscheid van elkaar genomen. Voor mijn vader was het al zonneklaar dat hij niet terug zou komen. Hij is aan boord van Hr.Ms. Java omgekomen. We hebben de Japan se bezetting meegemaakt in Djokja. Na de oorlog zijn we door de Indonesiërs acht maanden geïnterneerd op het terrein van de suikerfabriek Gandjoe- ran. Bij een gevangenenruil werden we - samen met 400 anderen - door de TNI naar Batavia gebracht en kwamen we bij familie terecht. In augustus 1947 zijn we naar Nederland gegaan. Samen met Kitty heb ik in 1999 een Wubo-aanvraag ingediend. Het is ons gelukt om erkend te worden en een uitkering te krijgen. Ik vind dat ik recht heb op een uitkering omdat ik door de gevolgen van de oorlog psychi sche klachten heb gehad. Ik merkte dat ik op situaties anders reageerde dan je normaal zou verwachten. Boven dien had ik erg last van een minder waardigheidscomplex, ook omdat ik jarenlang geen school heb gehad. De oorlog heeft heel lang doorgewerkt in mijn leven.' land woonden. Vervolgens nam een advoca zijn taak over: mr. PJ.Ph. Dietz-de Loos. De Centrale Raad van Beroep heeft uiteindelijk het Europese Hof van Justitie verzocht om een prejudiciële beslissing. Het is geen gemakkelijk proces waar je doorheen moet. Het is confronterend en het kost verschrikkelijk veel energie. Je kunt je hart niet luchten tegenover iemand die je niet kent, die je niet vertrouwd. Dat is heel erg moeilijk, zeker voor Indische mensen. Daarvoor zijn je ervaringen te persoonlijk en te gevoelig.' 'Ik heb nu rust gevonden. Op een gegeven moment heb ik een droom gehad. Ik droomde dat ik op zoek was naar mijn moeder. Voor het eerst in mijn leven droomde ik daarover. Een persoon kwam bij me en zei: "Ik help je." "Zie je daar die hele grote, brede rivier?" "Daar kan ik nooit overheen", zei ik. "Natuurlijk kun je daar overheen", zei de per soon. "Ik help je." En we gingen er overheen. Toen kwamen we bij een muur. Onmogelijk dat ik daar overheen kon. De persoon zei: "Als je het wilt, kun je er overheen. Ik help je." En we gingen er ook overheen. Ik kwam in een soort bos en liep naar een grote deur, het leek wel een deur van een klooster. Ik klopte aan en een nonnetje kwam tevoorschijn. "Ik zoek mijn moeder", zei ik. Ze liet me binnen en bracht me naar een kamer met twee bedden. Ze liep er naartoe en zei iets tegen een vrouw die daar lag. De vrouw kroop naar me toe en omklemde mijn benen. We huilden allebei. Toen zei de non: "Zal ik je nu naar je moeder brengen?" "Nee, nog even niet", antwoordde ik. "Ik heb zoveel verdriet gehad. Ik wil nog even genieten van het leven." Toen was de droom afgelopen. Die droom heeft me rust gebracht. Ik heb mijn moeder gezien. Door die droom heb ik kunnen accepteren wat er is gebeurd. Maar ik kan het niet opbrengen mijn moeder te zoeken. Ik weet ook helemaal niet of ze leeft of waar ze is. Ik ben enorm bang om opnieuw teleurgesteld te worden zoals bij mijn vader. Ik weet niet of ik dat nog een keer aankan.' Wat verwijt u de PUR? 'Ze moeten de wet goed uitvoeren, dat doen ze niet. Er bereiken ons klachten van mensen van wie de aanvragen worden afge wezen. Oude Indische mensen die te horen krijgen: Nou mevrouw, als u al 80 jaar bent, dan zal u wel niets mankeren. Mensen die we kennen en van wie we weten dat ze ver schrikkelijke dingen hebben meegemaakt. Daarover moeten praten is heel moeilijk. Als we horen dat hun aanvraag is afgewezen, doet dat ons pijn. Het gaat niet om het geld, het gaat om het recht. Er is nog steeds veel mis. Het is ons ook niet gemakkelijk gemaakt. De uitvoerders van de Wubo waren geweldig maar over de top zijn we minder te spreken. Onze indruk is dat de voorzitter van de Wubo haar verlies niet kan nemen en probeert de zaak te vertragen. Mevrouw Elske ter Veld is rancuneus. Ze heeft ons zelfs afgeraden in beroep te gaan bij het Hof van Justitie in Luxemburg. De PUR gaat niet zorgvuldig om met de klachten van Indische mensen. Ze wekken de indruk dat ze liever de boot afhouden.' i oktober 2007 43

Moesson Digitaal Tijdschriftenarchief

Moesson | 2007 | | pagina 42