De Heilige kanonnen
door Dr. H. J. de Graaf
Tot voor enige jaren lag'op het voorerf
van het vroegere Kasteel van Batavia, de
kota Inten, een groot kanon, dat als heilig
werd beschouwd. De bevolking bracht er
wierookoffers en het was aan alle kanten
door kleine papieren pajongs omgeven.
Een wachter, die gaarne fooien in ontvangst
nam, zorgde er voor het nodige ritueel.
Men vertelde, dat hier vaak vrouwen heen
trokken, die een kind begeerden.
De naam van dit kanon was kjai Satoma
of si Djagoer (Z. Ed. de flinke). Het was
een hele knaap! Doch deze kjai Satoma
had een vrouwtje, dat natuurlijk njai Sa-
somi heette. Het was echter een geschei
den echtpaar, want njai Satomi lag in een
matglazen kast op de sitinggil (hoge grond)
voor de Kraton van Sura-Karta.
Merkwaardig is, dat beide stukken vrij
zeker van Portugese herkomst zijn. Hier
op wijzen hun namen, die zeer waarschijn
lijk van het Portugese Santo Torna zijn af
geleid, dus van de eerste verbreider van
het Christendom in Indië, de apostel St.
Thomas. Naar deze heilige worden ook de
Thomas-Christenen in Voor-lndië genoemd.
Van dit Sa(nto) Torna hebben de Javanen
een vrouwelijk Satomi gemaakt; een ka
nonnier beschouwt zijn kanon altijd als
een vrouw. Dat Portugese kanonnen naar
heiligen heten is ook niets bijzonders. Ze
werden wel naar de H. Maagd Maria ge
noemd, en daarom verbaas ik mij er niet
over, dat een kanon in het Maleis mer-
jam (Maria) heet.
Het grootste der twee, het mannetje kjai
Satoma, is waarschijnlijk in 1606 in het
toen nog Portugese Malaka gegoten, en
wel uit metaal van een ouder kanon. Hier
op zou het Latijnse opschrift: ,,Exme ipsa
renata sum", dus: uit mij zelve (uit eigen
metaal) ben ik herboren (opnieuw gego
ten). Verder eindigt het kulas (het dikke
ondereinde van het kanon) in een vrou
wenhand, die een afwerend gebaar maakt.
Zeker tot 1641, het jaar, toen de Neder
landers Malaka na een zeer zwaar beleg
op de Portugezen veroverden, verdedigde
kjai Satoma de wallen van Malaka en viel
daarna in handen der Hollanders, mèt na
tuurlijk vele andere stukken.
Vóór 1668 is het reuzenstuk naar Ba
tavia overgebracht, waar het in dat jaar
vermeld wordt als een „groote ijzeren wijd-
monder" liggende op de noorder-buiten
berm van het Kasteel, tussen de punten
(bastions) Parel en Saffier (men denke aan
de kota Inten!). Daar het lag, deed het
daar geen dienst, meer dan een eeuw
lang. In 1693 liet de G. G. Camphuys er
het gewicht op schrijven: 7000 pond! Men
kon er kogels van 100 pond ijzer mee
schieten.
Pas in 1759 werd het grote kanon weer
in dienst gesteld, en wel op de z.g. „zee
batterij", een bolwerk, dat de toegang tot
het havenkanaal moest verdedigen. Daar
stond dus het reuzenstuk gereed, om elk
vijandelijk vaartuig, dat de havenmond wil-
de binnenvaren, in de grond te boren.
Doch dit is nooit nodig geweest, want
reeds in 1796 werd besloten, om de hele
zeebatterij maar te ontmantelen. Onze
honderd-ponder werd naar het Artillerie
magazijn overgebracht en kreeg dus weer
groot verlof.
In 1810 besloot de grote hervormer,
G. G. Daendels alle geschut uit het onver
dedigbare en door malaria verpeste Bata
via weg te nemen en naar de militaire stel
ling bij Weltevreden over te brengen. Zo
gezegd, zo gedaan, maar kjai Satoma ging
niet mee; die was te zwaar. En zo bleef
zij daar bijna anderhalve eeuw op dezelf
de plaats liggen, waar bijna alle nog le
vende bezoekers van Batavia haar hebben
gezien.
Kort nadat zij daar zo eenzaam in het
gras was achtergelaten, werd zij (of hij)
door de bevolking heilig verklaard. De re
den dezer heiligverklaring moet wel ge
zocht worden in het koppig achterblijven
van het grote kanon, terwijl alle andere
stukken zich gewillig naar Weltevreden
lieten vervoeren, en in dat geheimzinnige
afweergebaar van de vuist aan de kulas.
En zo werd kjai Satoma of si Djagoer
een grote bezienswaardheid van de kota
Betawi, dien geen toerist mocht missen.
Met zijn wierookoffers en zijn talloze klei
ne pajongs een echt stukje bevolkings-
folklore!
Na Mijnheer, Mevrouw: nj'ai Satomi. Dit
stuk wordt het eerst vermeld tijdens de
geweldige burgeroorlog, die Java zeven
jaar lang teisterde, van 1675 tot 1682. Het
was toen in handen van de grote rebel,
radèn Troena-Djaja, die het uit Mataram
naar zijn residentie in Kadiri had laten
slepen. De sultan van Bantam, die er de
lucht van had gekregen, deed in 1678
moeite om het kostbare stuk in handen te
krijgen, zodat het toen blijkbaar als bij
zonder waardevol over gans Java bekend
stond.
Radèn Troena-Djaja zal het stuk uit de
Kraton van de Soesoehoenan in Midden-
Java geroofd hebben, doch hoe was het
daar beland? Waarschijnlijk niet recht
streeks. Blijkens de naam en het opschrift
was het een Portugees kanon, maar nooit
hebben de Portugezen, die met de Java
nen tegen de Hollanders samenspanden,
zulk een kanon aan de Soesoehoenan aan
geboden. Dat hebben ze echter wèl aan
de vorst van Soera-Baja gedaan, en wel
in 1619. Dus kan het stuk, nadat de grote
vorst van Mataram, sultan Agong, in 1625
Soera-Baja veroverd had, naar Midden-
Java, naar Mataram zijn overgebracht.
Hiervoor pleiten nog enige andere, helaas
nogal verwarde gegevens, die ik U sparen
zal.
Helaas is het merkwaardige stuk voor
gewone stervelingen onzichtbaar. In 1940
heb ik nog moeite gedaan om het kanon
eens nauwkeurig te mogen bekijken, maar
tevergeefs. Zelfs een bezoek aan de Rijks
bestuurder mocht niet baten. Ook heb ik
wel eens door de matglazen ruiten van de
kast, waar het in ligt, proberen te turen,
doch vergeefs. Het behoort nu tot de aller
heiligste erfstukken van het rijk Soera-
Karta, en niemand, behalve enige speciale
dienaren, krijgt het ooit te zien.
Toch weten we er iets van. In vroeger
jaren heeft men eens een afgietsel in lood
van wasafdrukken van het kulas gemaakt.
Hiervan heb ik een foto gezien, en nu we
ten we ten minste, wat er voor letters en
figuren op staan. Het opschrift luidt: Chris-
to Lux Salvationis, dus: Christus, Licht des
Heils. Verder ziet men er een Portugees
wapen en een astronomisch instrument, een
astrolabium op voor. Dit alles wijst er dui
delijk op, dat we met een Christelijk, een
Portugees kanon te maken hebben.
Men ziet dus, dat al zijn beide stukken
Portugees, zij toch nooit iets met elkaar
te maken hebben gehad. Een paar hebben
ze dus nooit gevormd. Het zou ook wel
een heel ongelijk stel geweest zijn: groot
en klein, ijzer en brons.
Toch verzekert een Javaanse overleve
ring, dat beide kanonnen een hulde-ge-
schenk van de Portugese „Compagnie"
aan de pangéran van Djakarta zouden ge
vormd hebben, n.l. in de tijd, toen Demak
nog kraton was, dus in de eerste helft
der 16e eeuw. Honderd jaar later, tijdens
de reeds genoemde sultan Agoeng (1613-
1646) zouden ze naar Mataram zijn over
gebracht.. Doch kjai Satoma ging zó te
keer, brulde en bulderde op elke avond
vóór vrijdag- en dinsdag-kliwon, terwijl hij
zijn bewakers in de droom verscheen, dat
men hem in arren moede naar het intussen
tot Batavia geworden Djakarta terug bracht.
Njai Setami mocht echter in Mataram blij
ven en hield zich daar heel rustig.
(Zie volgende pag.)
Si Djagoer
15