VOETSTAPPEN IN 'N ANDERE WERELD raw II! DE VROUW IN HET BLAUW Degeen aan wie het overkwam, was een jonge Hollandse die nooit in Indonesië is geweest. Haar man, ook totok, was dat wel; n.l. toen hij bij het K.L. daar diende. Ik vertel het alleen er maar bij, teneinde de z.g. „Hollandse nuchterheid" te bena drukken. Ruim dertien jaar geleden verhuisden wij vanuit Apeldoorn, waar we met Fien en Dick B. bevriend waren geraakt, naar W., in hetzelfde huis waar we nu nog wonen. Fien en Dick vormden wat je noemt nog een „jong" gezin toen we ze in Apeldoorn achterlieten. Niet lang na ons vertrek werd hun een dochter geboren. De nieuwbakken moeder kon het niet over haar hart ver krijgen met Dick mee te komen, als hij ons eens kwam opzoeken. Maar eindelijk waagden ze het om op een week-end bij ons te komen logeren. Het was in de zomer tijdens de grote va- cantie. Onze kinderen logeerden elders. Fiéns baby Ellen was toen ruim een jaar oud, en juist genezen van een kouvatting. Maar hoewel beter, kon ze vooral 's nachts nog wel eens hardnekkig hoesten, vertelde Fien. Ik zei haar dan ook, hoe onverant woord ik het van ze vond om toch te komen, inplaats van het nog even uit te stellen. Ze weerde lachend mijn „stand jes" af en repliceerde met enkele gekkig- heïdjes die er hier niets toe doen. Het werd een gezellige zaterdag, gevolgd door een nóg gezelliger avond. Naarmate de avond vorderde, kreeg het onderwerp van ons gesprek meer „diepgang"; een uitwisseling van gedachten over enige pro- blematieken, die hier evenmin iets toe doen. Beurtelings verlieten Fien of Dick het onderonsje, om naar de kleine meid te kijken als we haar hoorden hoesten. Soms ook ik, als ik toch nieuwe voorraad snacks en drinks moest halen. De ligging van de kamers waar het hier om gaat is als volgt: de huiskamer waar wij zaten te praten, heeft een deur die op de hal (of portaal) uit komt. Aan de over zijde van deze deur, komen ter weerszij den van de hal elk ook weer een deur erop uit, die bijna recht tegenover elkaar staan. Zo, in de deuropening staand van de huiskamer-naar-de-hal, bevindt zich aan de rechterhand de deur van de slaapkamer waar Fien en Dick die nacht zouden sla pen; in de tegenovergestelde kamer, - dus aan de linkerhand - sliep kleine Ellen in haar eigen, meegebracht bedje. Hoe gezellig het ook was, voor Fien bleek het een te zware opgaaf om de al zwaarwichtiger-wordende gesprekken te volgen. Ze had een uiterst vermoeiende dag achter de rug, en Elleke had haar daarbij de nacht tevoren vrij dikwijls uit de slaap gehaald. Zodoende verontschul digde Fien zich om een uur of half twaalf en zei ons goede-nacht. Een goed ander half uur later volgden we haar voorbeeld en gingen eveneens naar bed. Ik gaf Dick evenwel nog dè staaflamp mee, die Fien vergat mee te nemen, om 's nachts bij te lichten als zij of Dick eruit moesten voor de kleine meid. Fien was zich van geen uur of tijd be wust, toen ze enkele uren later wakker werd door Ellekes langdurig hoesten. Slaapdronken, haast automatisch tastte ze naar de staaflamp, knipte die aan en stond op. Ze deed de slaapkamerdeur wijder open - lie op een kier was gelaten - en stapte de hal op. Tegelijkertijd schreed een vrouwenfiguur in een lange lichtblau we „kamerjas" door de deur van de huis kamer eveneens de hal over naar Ellekes tijdelijke slaapkamer. „De kleine hoest zo," sprak de vrouw in het blauw tot Fien. „Weet ik Leen, ik hoorde haar wel, ga jij maar weer naar bed", antwoordde Fien. Maar „Leen" liep met Fien mee naar Elle kes slaapkamer. Toen Fien aan het bedje zich over haar kleintje heen boog, stond de vrouwenfiguur aan de andere kant van het bedje en keek toe. Fien hielp Elleke overeind om haar het hoesten te verlichten. Ze suste de huilende kleine, en sprak het kalmerend toe, net zo lang tot de hoest bedaard was en Elleke gedwee zich weer onder liet stoppen. Al die tijd stond „Leen" erbij toe te kijken. De staaflamp had Fien n.l. aan het voeteneind van het bedje rustig laten branden. „Zo, die gaat weer slapen," zuchtte Fien; ze greep de lamp en richtte zich op uit haar gebukte houding. „Hee, maar jij bent Leen niet," riep ze verbaasd uit tegen, de vrouw in het blauw, bij het licht van de lamp. „Wie ben je?" Na een kort geamuseerd lachje klonk het antwoord: „Ik ben Wies" (of Mies, zei Fien later). „O," zei Fien weer, „nou dan ga ik maar weer, wel te rusten maar," voegde ze er aan toe. „Ja, wel te rusten," zei „Wies" terwijl ze naar de deur van de huiskamer toe liep (waar onze grote slaapkamer aan grenst). Ook Fien liep naar haar slaapka mer terug. De volgende ochtend na het ontbijt, ruimden Fien en ik de ontbijtboel samen af en „deden" de huiskamer snel aan kant. Midden onder het stofzuigen bracht Fien het apparaat abrupt tot zwijgen, keek me aan en vroeg: „Verrèk, Leen, waar is ze gebleven?" „Wie?" deed ik verbaasd. „Nou die nicht van je of van Hans, die gisteravond kwam toen ik al naar bed was," verduidelijkte ze. Ik schudde mijn hoofd en begreep maar niet wat ze bedoelde. Enfin, ik zal u ons verder dialoog maar bespa ren, want in het kort komt het hierop neer: er wés n.l. niemand gekomen nadat Fien naar bed was gegaan. Fien wist niet dat ik ooit een zusje had; nog minder dat ze LIES heette en dat ze als negentienjarige overleden was in de Jappentijd in 1944. Fien kon al helemaal niet hebben geweten dat onze Lies in haar lichtblauw-gebloemde cloqué housecoat gestorven was. „Maar Leen, ik was aanvankelijk vast overtuigd dat jij het was. Ze léék op jou, ze droeg het haar net zoals jij, lang tot even over de schouders," riep Fien uit. „Het klopt allemaal precies," zei ik, „mijn zusje en ik leken erg veel op elkaar, al was ik uiteraard wat zwaarder dan zij." Fiens ontzette blik in de ogen en open hangende mond op die mededeling staan me nóg bij. O ja, voor de ongelovige critici: ik lijd zeer beslist niet aan slaapwandelen; en bezat te dien tijd evenmin iets dat op een „lange, lichtblauwe kamerjas" leek, die ik evt. zou hebben gedragen om mijn dood vermoeide logee voor de gek te houden. Lin Scholte. PAARDEN EN JAVANEN Bij de boekenkast van een sobat staand, bladerde ik in de gedichtenbundel „De Tuin van Eros" van Jan Engelman (hij behoort met Resink en Marsman tot mijn lievelings dichters) en las: NACHTVAART (Voor Clara Eg gink) „en droomt van paarden en Javanen schrikt wakker, voelt zich nat van tranen, telt eindeloze uren vol, de nacht is zwart, de zee staat hol." Misschien is voor een Hollands dichter het rijmkoppel Javanen/tranen een „trou vaille", of een gezochte aardigheid. Maar voor elk Indisch meisje is het een „na tuurlijk rijm": als wij aan Java dénken, schiet ons vaak het gemoed vol. En hoevele eindeloze uren heeft niet menig Indisch meisje, bruin én blank, in Indische zwerftochten-terug verwijld? Hoe vaak is hier de nacht zwart en staat de zee bol van klimaats- en andere zorgen en benauwenissen? En dan de combinatie Paarden en Java nen! Paarden zijn het symbool van onstui miger, braniër, wijder, fierder leven. Ah, hoe jong waren wij en hoe mooi! Wij wa ren Amazonen! Zie je wel, dat Jan Engelman een ge weldig dichter is? Omdat hij MENS is! Omdat hij geen peuterig ruziemaker is met kolonialen, maar ineens in het hart kan schouwen. Dat is dichterschap, niet de kunst! T. R. IN 'T LAND VAN VONDEL Veel dichterlijk talent wordt in het Land van Vondel uitgeleefd in toiletten, waar men de schoonste rijmen kan lezen. Ergens vonden wij dit aangrijpende gedicht: Liet U de plaats waar U net stond, Zo schoon als U hem zelf graag vond? Poëzie werkt inspirerend. Bij het heen gaan merkte ik dat ik dichtend dacht: Nooit heb ik vuiler plaats gevonden Ik heb er voor het laatst gestonden. De Nederlandse taal ken ik nog steeds niet foutloos blijkbaar... 17

Moesson Digitaal Tijdschriftenarchief

Tong Tong | 1967 | | pagina 17