Du Perron en het landsarchief door Dr. H. J. DE GRAAF Dit opstel zou men een aanvulling op een aanvulling kunnen noemen. J. H. W. Veenstra's boek: D'Artagnan tegen Jan Fuselier, met de ondertitel E. du Perron als Indisch polemist, is als aanvulling be doeld op de biografische studie, die Ada Deprez aan de schrijver E. du Perron wijd de. En zo pogen onderstaande regelen het werk van Veenstra weer aan te vullen voor zover het Du Perron's werkzaamheid aan het Landsarchief te Batavia betreft. Men zal dus in deze bijdrage niets vinden over de felle pennestrijd, die Du Perron (D'Artag nan) tegen de beruchte en gevreesde jour nalist H. C. Zentgraaff (Jan Fuselier) voer de. Niet dat ik Du Perron op het Landsar chief ooit ontmoet heb. Hij was daar als daggelder werkzaam van januari 1938 en ik placht pas in de jaren 1938 tot 1941 in de grote vacanties enige weken in Batavia door te brengen, ten einde daar de biblio theek van het Bataviaasch Genootschap en het Landsarchief te bezoeken. Zo is Du Perron mij slechts één maal via een raam aangewezen. Doch de personen, die Du Perron tijdens zijn halfjarige werkzaamheid op het Landsarchief ontmoette, en ook hun voorgangers, heb ik vrij goed gekend, zodat ik over hen meerdere en andere bijzonder heden zou kunnen mededelen, dan in Veen stra's boek voorkomen. Du Perron, door Veenstra herhaaldelijk geciteerd, heeft nl. de onsympathieke ge woonte bijna iedereen in Indië voor "kolo niserende prollen" te verslijten, behalve zich zelf en de nationalistische Indonesiërs, die hem vleien. Voor dezen voelt hij zelfs zekere vertedering la Multatuli. In het ongunstig oordeel over de Europeanen in Indië delen ook zij, die werkzaam waren op het Landsarchief, bijna zonder uitzonde ring. Dat dit oordeel wat te generaliserend is, zal ik thans trachten aan te tonen. Ter toelichting diene vooreerst, dat Du Perron, door geldnood genoopt, op het Bataviase Landarchief als daggelder te werk was gesteld, wat hem een maandloon van f 165,opleverde. Het loon was dus schamel en het werk voor een litterator weinig verheffend. Ge lukkig vond hij tijdens zijn ambtelijke be zigheden nog voldoende gelegenheid om particuliere karweitjes op te knappen, b.v. brieven te schrijven. Landsarchivaris was destijds Mr. Dr. F R. J. Verhoeven, die Du Perron in een brief aan Ter Braak "dikdoenerig, zoo lang hij over hulpmiddelen beschikt" noemt, "maar verder vrij gauw daarvan ontdaan en dan vrij geschikt" (blz. 48). Ik zou dit "vrij" door "zéér" willen vervangen. Inder daad zijn dit eigenschappen, die een be hoorlijke promotie eerder bevorderen dan in de weg staan en de betrokkene zeker geen windeieren zullen gelegd hebben. Deze Mr. Verhoeven was de opvolger van prof. dr. E. C. Godée-Molsbergen, een goed kenner der koloniale geschiedenis, joviaal en hartelijk. In 1936 was hij gere patrieerd en is spoedig daarop overleden. Deze heer had naast zich een onder archivaris gehad: Mr. P. C. Bloys van Treslong Prins, in de wandeling Prins ge naamd, die beweerde van de befaamde Watergeus af te stammen. Zijn monumen taal graf op de begraafplaats Laanhof prijkt trots met zijn familiewapen. Ik zag het voor het eerst, toen ik als krijgsgevangene er een kameraad moest helpen begraven. Dat deze beide heren elkander niet kon den lijden, wist destijds heel Batavia en wordt ook in het boek van Veenstra uit voerig verhaald. Ik onthul dus niets, wan neer ik dit hier herhaal. Bovendien uitte deze ruzie zich niet alleen binnen het waardige 18e eeuwse gebouw aan Molen- vliet-West, doch ook daar buiten, b.v. in de Sociëteit, die de schone naam "Harmo nie" droeg. Het was inderdaad niet steeds even stichtelijk! Op het Archief betrokken de beide heren kamers, die zo ver mogelijk van elkaar af lagen en onderhielden slechts contact door briefjes, die heen en weder snellende oppassers overbrachten. Nouvelles", die de redacteur Veersema (on der de pseudoniem J. E. Jordens Jr.) met de nieuwste Bataviase schandaaltjes vulde. Hierin werden ook toestanden op het Lands archief bekritiseerd en mevrouw Prins was zo attent, om mij daarop te wijzen. Ten slotte is zij tegen de lamp gelopen, hetgeen haar een officiële terechtwijzing bezorgde. Hierover zou ik kunnen zeggen, dat ik van deze dame steeds een voorkomende en hartelijke indruk kreeg. Zij bood mij zelfs de koffie aan, die ook in Veenstra's boek zekere rol speelt. "Waar ter wereld vind je dat, een archief waar koffie gepresen teerd wordt?", zei ze tegen mij. Ik moest het antwoord schuldig blijven, want zelfs in het Rijksarchief op Bleyenburg moet men in de cantine nog contant betalen. Over du Perron heeft zij zich tegenover mij nooit uitgelaten, doch des te meer over de Landsarchivaris. Elk jaar kwam zij met nieuwe sensationele verhalen, die een top punt bereikten, toen zij haar chef voor "moordenaar" uitmaakte, naar aanleiding van een droevig ongeval op het Lands archief, dat de zware verwonding en dood van een ondergeschikt ambtenaar ten ge- Iti het Landsarchief aan het Molenvliet te Batavia Hoe ten slotte de jurist het tegen de professor-doctor in de Letteren moest af leggen, kan men bij Veenstra-Du Perron nalezen, dank zij een lang citaat uit een brief aan Ter Braak (blz. 73-75). Het gevolg was, dat Prins het Landsarchief moest ver laten en zich in zijn woning in een een voudige Europese wijk ten westen van Mo lenvliet moest terugtrekken. Echter, liet hij zich ten Landsarchieve vertegenwoordigen door zijn echtgenote, die ik er tijdens al mijn bezoeken aan het Landsarchief ontmoet heb. Deze dame kon het op den duur met Du Perron niet te best vinden, hetgeen uit tal van citaten uit zijn correspondentie zon neklaar blijkt. Hij heeft geen goed woord voor haar over! Hij verdacht haar er van, en waarschijnlijk niet ten onrechte, dat zij materiaal verschafte aan zeker groen ge kleurd advertentieblad, de "Ochtendpost". Dit bevatte een rubriek, getiteld "Bataviase volge had. De "schuldige" vertoonde zelfs geen spoor van wroeging! Ik liet al deze schone verhalen maar over mij heengaan, daarik wel begreep hoe hard het moest zijn te werken onder de persoon, die h.i. de plaats van "me man" innam. Toen zij eens zei: "O meneer de Gr., U moest eigenlijk hiér werken", heb ik haar geantwoord, dat ik het ambt van franctireur boven dat van beroepssoldaat prefereerde. Het beeld dezer dame in Veenstra's-Du Perron moge gechargeerd zijn, in hoofdzaak is het juist. M.i. ontbreekt er het nodige begrip voor haar moeilijke positie. Wat de beide "oude heertjes" en hun kinderachtige ruzietjes betreft, toch had ie der zijn bijzondere verdienste. Beginnen we met de professor. Godée Molsbergen liet zich zo noemen, omdat hij twee maal hoogleraar was ge weest, t.w. te Stellenbosch in Zuid-Afrika, en te Gent tijdens de Duitse bezetting van 4

Moesson Digitaal Tijdschriftenarchief

Tong Tong | 1967 | | pagina 4